De Derby – leesfragment

In De Derby vertelt Menno Pot over de enige amateurderby die hij zélf speelde, gaat hij op zoek naar de oorsprong van de term ‘derby’ en neemt hij in vogelvlucht de meest tot de verbeelding sprekende derby’s in het buitenland door. Daarna gaat hij op reportage in eigen land, bijvoorbeeld naar FC Haarlem – Telstar…


De Dode Derby

 

Op de dag van een beladen streekderby hoort de voetbalarena een magneet te zijn. Meer nog dan op ‘gewone’ wedstrijddagen zou het theater waar het allemaal gaat gebeuren supporters uit de wijde omgeving naar de toegangspoorten moeten zuigen. Het gegons van opgewonden supportersdiscussies hoort de lucht te vullen. Wanneer het stadion voor je opdoemt, hoor je temidden van drommen medesupporters onwillekeurig je pas te versnellen, op weg naar de poorten. Eigenlijk heb je helemaal geen haast, maar toch ga je sneller lopen, omdat de derbykriebel bij elke stap heviger wordt.

 

Zo is het hier in Haarlem-Noord dus niet. Ik loop in de omgeving van de Jan Gijzenkade, hemelsbreed ergens tussen Santpoort-Zuid en Spaarndam-West. Als de lichtmasten van het Haarlem-stadion niet als zwarte oriëntatiebakens hadden afgestoken tegen de grijze hemel had ik, op een steenworp afstand van het stadion, zomaar kunnen verdwalen in de J.H. Leopoldstraat, de Willem Klooslaan of het met dit hondenweer weinig aanlokkelijke Schoterbos. Dan had ik zomaar kunnen denken dat Haarlem niet thuis maar uit speelde en dat het een heel gewone zondag was.

 

Dat is het niet; het is derbydag. Ik heb een kaartje gekocht (nee: bemach- tigd!) voor FC Haarlem – Stormvogels Telstar, de derby van Zuid-Kennemerland of kortweg de Kennemer derby, van 24 maart 2008. Het is de derby der leeuwen: roodblauwe uit Haarlem tegen witte uit Velsen. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik me met mijn toegangsbiljet behoorlijk gelukkig mocht prijzen. Immers: het verouderde, wat aftandse Haarlem-stadion is maar klein. De staantribunes achter de beide doelen worden niet meer gebruikt en de capaciteit bedraagt volgens de seizoengids van Voetbal International 3500. Op de officiële Voetbal International clubsite zag ik dat dat nog een afronding naar boven was: het officiële aantal plaatsen is 3442. Dat toeschouwersaantal haalt FC Haarlem nagenoeg nooit, maar ik ging er van uit dat het toch wel vol zou lopen voor de derby tegen buurman en aartsrivaal Telstar (de fusie met amateurclub Stormvogels kwam in 2001 tot stand, maar is bij het verschijnen van dit boek weer ontbonden: Stormvogels Telstar heet met ingang van het seizoen 2008-2009 weer ouderwets Telstar).

 

De werkelijkheid van de Kennemer derby is ontnuchterend. Het stadion is hooguit halfvol: 1879 belangstellenden. Ik zou hun aantal persoonlijk nog een paar honderd lager hebben geschat. Een felle hagelbui klettert op het golfplaten dak van de Kick Smit-tribune. Er waait een nare, gure wind. Pal achter me zitten wat oude Haarlem-supporters te kankeren zoals alleen voetbalsupporters dat kunnen. ‘De laatste weken gaat het zelfs naar Haarlem-maatstaven slecht!’ schampert één van hen. De anderen schateren sarcastisch, als Statler en Waldorf van The Muppet Show.

 

Vergane glorie? Het zou een veel te diplomatieke aanduiding zijn voor dit deprimerende sportevenement in de donkere, vochtige kelder van het Nederlandse profvoetbal. Dit is geen vergane glorie; dit is gewoon triest. Van een lekker geladen derbysfeertje kan toch al amper sprake zijn, want de Telstar-aanhang is thuisgebleven. De supporters van de club uit Velsen boycotten de derby, omdat die door de burgemeester van Haarlem als een risicowedstrijd is aangemerkt en de Telstar-fans met een verplichte buscombi naar Haarlem hadden moeten reizen. Voor wie niet weet wat een buscombi is: je koopt in de voorverkoop een combikaart (ook wel: omwisselbiljet), waarmee je niet het stadion binnen komt, maar alleen de georganiseerde busreis, meestal vanaf het stadion van je club. In de bus ruil je je combikaartje om voor een wedstrijdkaart, die toegang geeft tot het bezoekersvak. De bus brengt je tot pal voor dat uitvak. Je stapt uit, bekijkt de wedstrijd en na afloop ben je verplicht om meteen weer in de bus te stappen. Op eigen gelegenheid reizen is verboden, net als voor de wedstrijd een biertje drinken in de stad.

 

Dat ‘Haarlem uit’ voor de Telstar-supporters een verplichte combi is, lijkt me inderdaad volslagen mal. De afstand tussen sportpark Schoonenberg in Velsen-Zuid (zo mogelijk een nog treuriger accomodatie dan het Haarlem-stadion) en de Haarlemse Sportweg is 6,9 kilometer. Van Spangen (Sparta) naar De Kuip (Feyenoord) is een langere rit. Geweldsrisico? Zelfs bij de kleinste profvoetbalclubs loopt wel een handjevol puistige wannabe hooligans rond met Burberry-petjes en Stone Island-jassen, maar hier in Haarlem is het wel een héél bescheiden handjevol en ik kan me niet voorstellen dat Telstar een veel imposanter leger agressievelingen kan mobiliseren.

 

Preventief met een kanon op een mug schieten is toch niet de énige optie in de strijd tegen de stadionhuftertjes? De politie kan bij een evenement met welgeteld 1879 kleumende toeschouwers toch ook gewoon eens iemand in de boeien slaan en afvoeren, wanneer hij zich misdraagt? In de straten rond het stadion kwam ik meer politieagenten dan toeschouwers tegen, maar hier in het stadion staan de agenten zich te pletter te vervelen voor de Kick Smit-tribune. Een paar van hen lijken de uitdrukkelijke orders van hun commandant te hebben gekregen om zich bij het hek te laten natregenen.

 

Ik kan deze editie van de Kennemer derby niet met eerdere vergelijken, want het is de eerste die ik bijwoon, maar het is wel duidelijk dat er de voorbije decennia iets heel erg is misgegaan bij deze twee clubs: FC Haarlem, de ooit zo trotse roodbroeken, en Telstar, de in de jaren zeventig toch behoorlijk gevreesde ‘reuzendoder’ van de IJmond.

 

FC Haarlem (eigenlijk HFC Haarlem), van 1 oktober 1889, is één van de oudste profclubs van Nederland. In de laatste jaren van de negentiende eeuw speelde de club historische stadsderby’s tegen het nog oudere HFC (van 1879), dat sinds 1959 de Koninklijke HFC heet. FC Haarlem won in 1902 en 1912 de Nederlandse beker en was in 1946 de eerste naoorlogse landskampioen. Tijdens de jaren van wederopbouw was FC Haarlem één van de sterkste clubs van het land: in 1948 en 1952 werd nog eens twee afdelingskampioenschappen in de wacht gesleept (al werden ze nu niet gevolgd door landstitels), terwijl de bekerfinale van 1950 pas na verlenging verloren werd van PSV.

 

Bij de start van de opnieuw ingedeelde voetbalcompetitie in 1956 belandde FC Haarlem aanvankelijk in de Eerste Divisie en speelde de club lange tijd geen rol van betekenis, maar de jaren tachtig waren een gouden tijdperk. Met het jonge Amsterdamse talent Ruud Gullit in de gelederen werd in 1981 promotie naar de Eredivisie afgedwongen en eindigde de promovendus een jaar later spectaculair als vierde. De vierde plek betekende bovendien plaatsing voor het toernooi om de

UEFA Cup. Haarlem ging Europa in en de Europese prestaties in de herfst van 1982 waren verdienstelijk: het Belgische AA Gent werd uitgeschakeld (2-1 en 3-3), waarna in de tweede ronde het doek viel tegen het sterke Spartak Moskou.

 

Aan het einde van de uitwedstrijd voltrok zich, zonder dat de spelers op het veld zich ervan bewust waren, de tragische ramp in het Lenin-stadion. Toen Spartak Moskou 2-0 maakte en de toeschouwers die op weg naar buiten waren weer naar binnen wilden, ontstonden massale en fatale glij- en valpartijen op de trappen. Volgens de Sovjet-autoriteiten waren er ‘enkele gewonden’. Pas zeven jaar later zou bekend worden dat er 66 doden waren gevallen. Dat wil zeggen: officieel. Tegenwoordig weten we dat het er waarschijnlijk meer dan driehonderd waren.

 

Ruud Gullit was toen al vertrokken naar Feyenoord, dat hij in 1984 (in een elftal met JohanCruijff) landskampioen zou maken. Zonder Gullit eindigde het prachtige elftal van FC Haarlem dat seizoen opnieuw als vierde, na onder meer een sprankelende 0-3 zege op Ajax in De Meer op 18 maart 1983, nota bene de verjaardag van de Amsterdamse club. Alleen de latere landskampioen Feyenoord wist dat seizoen aan de Jan Gijzenkade FC Haarlem te verslaan. Het waren de tijden van keeper Edward Metgod, spits Piet Keur en spelers als Luc Nijholt, Wim Balm, Martin Haar en Keith Masefield.

 

In 1990 degradeerde FC Haarlem naar de Eerste Divisie, waar het vrijwel zeker de twee decennia zal volmaken. Veel viel er niet meer te vieren: soms een periodetiteltje of een aardige campagne in de beker, maar meestal was het niks. De Kennemer derby van vandaag is een duel tussen de nummers 15 en 20 van de Eerste Divisie, in een halfvol stadion. Er zijn 69 minuten gespeeld wanneer Raymond Fafiani scoort op een manier die bij het niveau van de wedstrijd past: per ongeluk. Zijn slecht geplaatste voorzet slaat zomaar in het net achter Haarlem-keeper Zonneveld. 0-1 voor Telstar. Geen juichend uitvak, maar doodse stilte, die nog doodser lijkt te worden door het zachte tikken van de regen op het dak van de Kick Smit-tribune. Achter me slaakt één van de oude Haarlem-supporters een diepe zucht: ‘Daar gaan we weer. Sjongejongejonge.’

 

Waar FC Haarlem zo’n club is die ze in Duitsland een Traditionsverein noemen, afkomstig uit de stad van Frans Hals en Jacob van Ruysdael, is Telstar een relatief jonge fusieclub zoals die er in Nederland veel zijn, en dan ook nog een fusieclub uit een industriestadje dat nou niet bepaald bekend staat als een toeristische trekpleister. Telstar ontstond in 1963 door het samengaan van VSV uit Velsen (bekerwinnaar in 1938) en Stormvogels uit IJmuiden. De amateursecties van de twee moederverenigingen bleven zelfstandig bestaan; de nieuwe, gezamenlijke proftak nam de naam aan van de eerste telecomsatelliet van de NASA, die een jaar eerder was gelanceerd. Vooral de eerste vijftien seizoenen na de fusie waren prima. Telstar promoveerde in zijn eerste seizoen naar de Eredivisie en zou het daar veertien seizoenen uithouden, waarvan elf in de middenmoot en drie in de toptien: Telstar werd zesde in 1974, zevende in 1975 en negende in 1976.

 

Het waren de jaren van de besnorde linksback Fred Bischot. In januari 1974 werd AC Milan met 6-0 gesloopt door de onttroonde, drievoudige Europees kampioen Ajax, in de strijd om de Europese Supercup, maar nog geen drie maanden later, op 28 april, gingen de Amsterdammers met 2-1 onderuit op sportpark Schoonenberg.

 

In 1978 was het uit met de pret en degradeerde Telstar. In de Eerste Divisie eindigt de club vaker in de onderste dan de bovenste helft van de competitiestand. Lekker dicht bij FC Haarlem, zullen we maar zeggen. De twee clubs hebben elkaar sinds de oprichting van Telstar in 1963 vrij aardig in evenwicht gehouden. Van de veertien derby’s die tussen 1969 en 1978 in de Eredivisie werden gespeeld, won Telstar er zes, tegenover vier Haarlemse zeges, maar daar staat weer tegenover dat FC Haarlem het veel langer volhield op het hoogste niveau. Opvallend: thuis spelen is blijkbaar lastig in de Kennemer derby. In de Eredivisie won FC Haarlem maar één van de zeven thuisduels tegen Telstar. In Velsen wonnen de roodbroeken even vaak als de thuisclub: drie maal. Sinds 1990 treffen de rivalen elkaar jaarlijks twee keer in de Eerste Divisie. Ook op dat niveau won Haarlem maar één van de eerste acht thuisduels tegen Telstar. Pas in de laatste tien seizoenen sloeg de balans door naar Haarlemse kant. De totale cijfers in de Eerste Divisie sinds de degradatie van 1990, tót aan de aftrap van vandaag: dertien keer winst voor Haarlem, dertien keer winst voor Telstar en elf gelijke spelen.

 

Het eindsignaal van de scheidsrechter klinkt: 0-1 voor Telstar, waarmee de onderlinge score in de Eerste Divisie sinds 1990 op 14-13 voor de Witte Leeuwen komt (maar niet voor lang: op 31 augustus 2008 trok FC Haarlem de stand weer gelijk). Het was een hemeltergend slechte en dodelijk saaie pot voetbal. Zonder passie, zonder strijd, zonder ziel. Niet álle Kennemer derby’s waren zo saai, al zou dat tenminste een bevredigende verklaring zijn voor de wel heel magere publieke belangstelling.

 

Goed, de supporters van FC Haarlem zijn de laatste twintig jaar niet bepaald verwend en die van Telstar hebben het zelfs al dertig jaar moeilijk, maar dan nog: nog geen tweeduizend belangstellenden voor een derby op profniveau in een stadsgewest (Zuid-Kennemerland/IJmond) met ruim 400.000 inwoners? Het moet, behalve met het slechte voetbal en het feit dat Haarlem meer een handbal- en basketbalstad is dan een voetbalstad, ook iets te maken hebben met de onwaardige accommodaties van de beide clubs. Misschien dat het beter wordt als de nieuwe tribune op sportpark Schoonenberg er staat en FC Haarlem kan verhuizen naar stadion Oostpoort, een moderne accommodatie met achtduizend zitplaatsen, die moet verrijzen aan de zuidoostrand van de stad, met trein- en busstation Haarlem Spaarnwoude en het snelwegenknooppunt Rottepolderplein pal voor de deur. Álle Nederlandse profclubs die een nieuw stadion lieten bouwen, trekken in het nieuwe onderkomen meer publiek dan in het oude. FC Haarlem zal vast geen uitzondering op die regel zijn, maar voorlopig waren er in oktober 2008 onheilspellende berichten: door de kredietcrisis zou het hele project financieel onhaalbaar zijn geworden. FC Haarlem is nog niet weg van de Jan Gijzenkade.

 

Sinds de jaren negentig is in de regio vaak gepleit voor een ‘San Siro-constructie’ à la AC Milan en Inter: een gezamenlijk stadion voor FC Haarlem en Telstar. Gaat niet gebeuren. In Milaan kan het; in Zuid-Kennemerland niet. In maart 2008 wees Pieter de Waard, de toenmalige algemeen directeur van Stormvogels Telstar, de suggestie met kracht van de hand: ‘Uitgesloten. Je krijgt rasechte IJmondenaren met geen stok naar Haarlem-Zuid. Je laat AZ toch ook niet in Den Helder spelen?’

 

Probleem blijft dat je rasechte IJmondenaren op dit moment óók met geen stok naar sportpark Schoonenberg krijgt, in hun eigen Velsen-Zuid. De regio Zuid-Kennemerland negeert de eigen streekderby volledig. Dat is triest, want al begon de geschiedenis van FC Haarlem – Telstar pas in 1963, de derby kende wél een mooi, spannend Eredivisie-hoofdstuk dat samenviel met het gouden decennium van het Nederlandse voetbal (1969-1978). In die tijd werden enkele edities van de Kennemer derby voor wel twintigduizend toeschouwers afgewerkt. Qua resultaten houden de Roodblauwe Leeuwen en de Witte Leeuwen elkaar behoorlijk in evenwicht, dus voorspelbaar zijn de duels beslist niet, maar met de huidige accomodaties en de huidige, deprimerende opkomstcijfers zal FC Haarlem – Telstar nog wel even de dode derby van het Nederlandse voetbal blijven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *