Muziekjournalist & Voetbalschrijver | Vak 127 – leesfragment
16328
page-template-default,page,page-id-16328,page-child,parent-pageid-16299,woocommerce-no-js,ajax_fade,page_not_loaded,
 

Vak 127 – leesfragment

Vak 127 volgt de ontwikkelingen in de vriendschap tussen Daan, J.J., Meijer en Neus in de loop van een hemeltergend slecht seizoen van hun club Ajax. Aan de hand van terugblikken naar het verleden komen we meer te weten over hun gezamenlijke geschiedenis. In één van die flashbacks gaan we terug naar de euforische 24e mei van het jaar 1995…


1995

 

3.08 uur, Sumatrastraat, Amsterdam-Oost

 

Het is al uren donker en stil, maar ik heb nog geen oog dichtgedaan. Ik lig op mijn rug in bed en probeer het plafond te zien in de duisternis. De zenuwen die ik al twee dagen voel sluimeren in mijn onderbuik, nemen langzaam de vorm aan van een soort weeën: vanuit mijn buik stromen ze door mijn lijf, op en weer af. Steeds een stukje verder rollen ze mijn donder in, als golven op het strand bij opkomend tij.
Ik houd het niet meer uit. Met een woeste beweging van mijn benen trap ik de dekens van me af. Ik loop naar de stereotoren, plug de koptelefoon in en laat keihard de eerste acht nummers van Nirvana’s Nevermind mijn oren binnenstromen. ‘Polly’ sla ik over, want rustige liedjes trek je niet als je je zit op te vreten. Dan gaat er geen kalmerend effect van ze uit, maar maken ze je knettergek. In plaats daarvan draai ik ‘Territorial Pissings’ twee keer, met moeite de neiging onderdrukkend om midden in de nacht als een dolle mee te schreeuwen en al mijn huisgenoten wakker te maken.

 

3.50 uur

 

Ik slinger de koptelefoon van mijn hoofd, trek half struikelend een trainingsbroek aan en loop mijn kamer uit. Aan de overkant van de overloop zie ik licht onder de deur door schijnen. Jelle, de vaagste bewoner van ons huis, is nog wakker, zoals ik al hoopte. Jelle is eendopehead. Hij ziet er zo ongezond uit dat je er voortdurend rekening mee houdt dat hij wel eens van rottigheid in elkaar zou kunnen pleuren. Maar je kunt wel met ’m lachen.
Ik klop zacht op de deur en stap zijn kamer binnen, die wordt verlicht door twee flakkerende kaarsen, gestoken in twee door gestold kaarsvet overwoekerde lege wijnflessen. Het ruikt er naar wierook. Uit de speakers klinkt ‘The End’ van The Doors.
‘Hé, Jelle. Aan het blowen?’
Hij zit in kleermakerszit op de versleten vloerbedekking en knikt afwezig, met toegeknepen ogen, zijn hoofd iets achterover.
‘Dan doe ik mee. Is dat goed?’
Hij opent zijn ogen en kijkt me aan, plotseling geestdriftig. ‘Gezellig, man!’

 

Hij spreekt het woord ‘man’ op zijn Engels uit, met een è-klank, en dat is nog een van zijn minst vreemde gewoontes. Het wordt nooit iets met deze gozer. Sinds zijn propedeuse heeft hij volgens mij geen studiepunt meer behaald. Hij werkt in een paddoshop. Ik sluit niet uit dat hij niet eens meer weet wat hij ook weer studeert.
‘Echt tof dat je langskomt, Daan,’ zegt hij gastvrij. ‘Ga zitten, man. Jij blowt normaal gesproken niet veel, toch? Je bent toch meer een alcohol-dude?’
Ik knik. ‘Klopt. Maar nu móet ik iets hebben waar ik rustig van word. Anders draai ik door.’
‘Hoezo, man? Heb je problemen?’
‘Nee. Ajax in de finale, weet je nog? Morgenavond is het zover. Eigenlijk vanavond, dus. Ik sterf van de zenuwen.’
‘O ja, fuck, dat is waar ook! Jij bent zo’n mafkees, toch? Ik bedoel: een fanatieke. Ik mag dat wel. Serieus. En ik zeg je: ze winnen die cup, man, let op mijn woorden. Ik heb een sterk ontwikkelde intuïtie. Dat is een soort gave. Ze winnen ’m. Ajax is goed. Ik zeg het je, zonder dollen: ze zijn goed.’
Jelle kan vervoerend praten, met de melodie en het wiegende ritme van een predikende dominee. Hij reikt me de joint aan en ik neem een hijs. Ik onderdruk mijn hoest en concentreer me op de elementaire techniek van het roken. Ik kan het voor geen meter. De smaak is afgrijselijk, maar het doel heiligt de middelen. Al snel trekt de THC mijn hersenpan binnen en lijkt de stem van Jim Morrison van alle kanten tegelijk te komen. Ik kalmeer.
‘Het is huisgekweekte shit,’ zegt Jelle. ‘Van een vriend van me. Rood wijntje erbij doen? Het is een Chileense.’
Hij maakt een soort halve koprol achterover om de wijnfles te pakken die iets verderop op de grond staat. Zijn ongelooflijk smerige blote voeten steken in de lucht.
‘Lekker,’ zeg ik met een afgeknepen stem.

 

Mijn gedachten dwalen af. Wat een seizoen is het geweest. Ongelooflijk. De mácht van dit elftal. Eindelijk weet ik hoe het gevoeld moet hebben om Ajacied te zijn in de vroege jaren zeventig. Zó goed. Zó mooi. Zó verschrikkelijk veel beter dan de rest. Ik heb in de competitie geen wedstrijd gemist: thuis en uit, ik was overal bij. Langzaam zagen J.J., Neus en ik vanuit de uitvakken van de Eredivisie hoe Ajax uitgroeide tot een fenomeen. Een attractie op zichzelf. Waar je ook kwam, je vóelde het ontzag en de angst van de thuisaanhang om een pak slaag te krijgen van het grote, onverslaanbare Ajax uit Amsterdam.
Ik herinner me het moment, uitgerekend in Eindhoven, waarop ik als Ajax-supporter voor het eerst in mijn leven échte onoverwinnelijkheid voelde. Hoe diep ik ook groef in mijn binnenste: ik kon nergens ook maar een greintje vrees voor een nederlaag ontdekken. Het was domweg niet aan de orde. Als Ajax zin had om er tegen dat pleuris-PSV vijf of zes in te trappen, dan zouden ze het gewoon doen. Ik beschreef mijn gevoel aan J.J. Hij knikte: ‘Ik voel het ook,’ zei hij. ‘Onthoud dit moment, Daan. Leg dit gevoel vast, doe het in een doosje en onthoud het. Als je over tien jaar iemand vertelt hoe machtig dít voelde, dan zegt iedereen dat je het verleden romantiseert en dat Ajax nou ook weer niet zó goed was, toen in 1995. Maar zo goed waren we dus wél.’
Dat was vlak voor de aftrap, toen de elftallen het veld op kwamen. Een kwartier later stond Ajax met 0-3 voor.

 

8.58 uur

 

Ik schiet als door een wesp gestoken overeind en draai mijn hoofd met een ruk naar de wekker. Ik heb met Jelle de teksten van Jim Morrison zitten analyseren en ben daarna toch nog een paar uur knock-out gegaan. Nu bespringen de zenuwen me alsof ze rond mijn bed hebben staan wachten tot ik mijn ogen opende. Ik ben nog nooit, maar dan ook nooit zo zenuwachtig geweest als nu. 24 mei. Vandaag moet het gebeuren.
Ik dender de trap af en loop in de gang bijna mijn huisgenoot Ilse ondersteboven, die nog nadampend de badkamer uit komt lopen. Wat een wijf. Ze heeft een witte handdoek om haar lichaam geslagen, die op zijn plaats wordt gehouden door haar formidabele tieten. Ze heeft prachtexemplaren: een mooie, volle C-cup, gemáákt om door mannenhanden omsloten te worden. Zo zie je ze maar verrekt weinig. Een tweede handdoek heeft ze om haar haren gewikkeld en als een tulband op haar hoofd gezet. Ze is twintig, een paar maanden jonger dan ik. Ik zou haar graag eens een ongelooflijke beurt geven, maar helaas ben ik de enige niet.
Als ik onder de douche stap, maai ik met een onhandige beweging een stuk of tien lege shampooflessen van het overvolle plankje en stoot ik mijn kop tegen de kunststof wand van de douchecabine als ik buk om ze op te rapen.
Hoe kom ik deze dag door?

 

Ik schiet een spijkerbroek aan en trek mijn Ajax-shirt over mijn hoofd. Ik ijsbeer een paar minuten door mijn kamer, kijk op de wekker, zet een cd op en meteen weer af, smeer een boterham die ik niet opeet, zet de tv aan en zap langs de kanalen om te kijken of er al ergens over de finale geluld wordt. Ik knaag op mijn nagels, kijk wéér op de wekker. Wat was ik er graag bij geweest in Wenen. Maar het zat er niet in: ik kan mijn huur en mijn deel van de telefoonrekening niet eens betalen de laatste maanden, laat staan een retourtje Wenen plus een kaart voor de Champions League-finale.

Waarschijnlijk zou ik toch achter het net zou hebben gevist, zoals zo veel trouwe supporters. Blokkie, Willem en Eric, de drie gasten die altijd vlak bij ons staan in vak G, wilden ook gaan. Zij konden geen kaart bemachtigen omdat Ajax geen voorrangsregeling voor trouwe supporters had getroffen. Typisch Ajax: eindelijk weer eens een grote finale gehaald en ze weten de kaartverkoop precies zo te organiseren dat de échte supporters misgrijpen en het Ajax-gedeelte van het stadion vanavond voor de helft vol zal zitten met sponsors, bobo’s, gloryhunters en ander volk dat het hele jaar geen wedstrijd gezien heeft. Die hebben allemaal zo’n verplicht, idioot duur arrangement van Reisbureau Roever aangeschaft, de sponsor waarmee Ajax een tamelijk dubieuze koppelverkoopconstructie heeft verzonnen. Stelletje uitzuigers. Het hele jaar reis je je club achterna, maar als de kroon op het werk kan worden geplaatst, schijten ze je recht in je gezicht en mag je niet eens zelf bepalen hoe je erheen gaat.
Ik loop naar de koelkast en zet bij wijze van ontbijt een pak aardbeienyoghurt aan mijn mond. Vanavond kijken we met zijn allen de finale bij J.J. thuis. Indrinken vanaf zeven uur. Ik heb beloofd om vijf uur te komen helpen met het ‘kijkklaar maken’ van de kamer en het sjouwen van de bierkratten. Nog bijna zes lange uren wachten. Dat ga ik nooit redden. Ik wéét dat J.J. ook tegen de muren op vliegt van de zenuwen. We kunnen net zo goed samen de minuten aftellen.

 

Ik trek een trainingsjasje aan, spring op de fiets en race van de Indische Buurt naar Oud-West, over de trambaan van lijn 10. Ik tref J.J. op zijn kamer aan, zittend op zijn bed met een van spanning verwrongen smoelwerk. Hij lacht als hij me binnen ziet stappen, bijna zes uur vroeger dan afgesproken. Hij lijkt niet eens verrast. We geven elkaar zwijgend een klamme hand. Het is nu niet nodig om iets te zeggen. We voelen hetzelfde.

 

12:33 uur, Jacob van Lennepkade, Amsterdam-West

 

De vingers van J.J. trillen als hij met een aansteker de kroonkurken van onze eerste flesjes bier wipt. Ik kijk zijn kamer rond. Wat is hij toch een mazzelpik. Zijn prachtige kamer is groot, licht en oud. Een hele etage heeft hij, met schuifdeuren in het midden. De ornamenten op het plafond zijn nog heel. Elke student zou er een dubbele moord voor doen en hij betaalt er maar vierhonderd gulden voor. Inclusief. En nog legaal ook. Het enige minpunt is dat de keuken een zwijnenstal is.

We zijn vijf keer heen en weer gelopen naar de Dirk van den Broek om kratten bier, flessen wijn, het goedkoopste merk wodka, jus, chips en borrelnoten in te slaan. Alles hebben we in etappes de trap op gezeuld en daarna, met hulp van J.J.’s huisgenoten, de in het huis aanwezige televisietoestellen naar zijn kamer gesjouwd. De twee grootste staan met de konten tegen elkaar tussen de schuifdeuren. Aan beide zijden hebben we een soort tribuneopstelling van stoelen en zitkussens gebouwd. Een flinke klus, maar het leidde de aandacht af en doodde weer wat tijd. Ik ben me warempel een tijdje niet bewust geweest van mijn zenuwen.
Nu weer wel.

 

We zitten op het aftandse bankstel en beginnen zwijgend aan de flesjes te lurken. Best Bier. Alleen daklozen en studenten drinken dat bocht. Een krat kost negen gulden achtennegentig bij de Dirk. Het eerste flesje Best is niet bepaald lekker, het tweede glijdt er al iets makkelijker in en vanaf het derde merk je het verschil met goede merken eigenlijk nauwelijks meer. Tót de volgende ochtend. Dan merk je het verschil, met terugwerkende kracht, weer wel.
J.J. klokt in twee lange teugen zijn flesje leeg. Ik doe hetzelfde en voel dat mijn maag luidkeels protest aantekent tegen de combinatie van aardbeienyoghurt en Best Bier, zonder fundament van vast voedsel. J.J. loopt naar de twee meter hoge stapel kratten op het balkon en trekt er twee nieuwe flesjes uit. Terwijl hij ze opent, stoot ik hem aan en wijs hem met een korte hoofdknik op zijn bevende rechterhand.

 

‘Het is nog niet eens één uur. We lijken wel een stel treurige alcoholisten,’ zegt hij.
Ik schud zuchtend mijn hoofd. ‘Nog acht uren tot de aftrap. En zesenhalf uur tot de rest komt.’
‘Schei uit,’ verzucht J.J. ‘Ik weet het.’
‘Ik ga dood van de zenuwen.’
‘Ik ook. En daarom zeg ik: verdoven die hap. Proost.’
‘Proost.’
Ik probeer een gespreksonderwerp te bedenken om de zinnen te verzetten, maar het lukt me niet. Vandaag kan er maar één gespreksonderwerp zijn.
‘Zouden de spelers net zo nerveus zijn als wij?’
‘Ik mag in godsnaam hopen van niet.’
‘Wat zouden ze nu aan het doen zijn?’
‘Ochtendwandeling in de buurt van het hotel, denk ik.’
‘Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben.’
‘En daarna volgt dan de lichte lunch.’
‘Precies. Dat wilde ik net zeggen: de lichte lunch.’
‘Pasta.’
‘Ja. Denk ik ook. Pasta.’

 

19.30 uur

 

De ruimte is afgeladen vol. Dertig, veertig man, keurig verdeeld over de twee helften van J.J.’s kamer. De spanning heeft me de hele dag gemarteld, maar nu heb ik hem hard nodig: zodra ik even niet aan de finale denk, begint de kamer te draaien en is er geen ontkennen meer aan dat ik een uur vóór de aftrap al zo blauw als een tientje ben. De wedstrijdspanning is het enige dat mijn dronkenschap nu nog kan neutraliseren. J.J. en ik zijn inmiddels uitgegroeid tot een soort attracties: we zitten als twee verlegen tweelingbroertjes in Ajax-shirts op de bank, ons nauwelijks bewust van de uitgelatenheid om ons heen. We zijn straalbezopen en zien pips van de zenuwen.
Het mannelijke deel van de aanwezigen kijkt af en toe geamuseerd onze kant op. Bij het vrouwelijke deel lijken we vooral moedergevoelens op te wekken: ach gossie, wat schattig en zie ze nou eens zitten.
Neus, zelf inmiddels ook flink in de olie, laat zich plompverloren tussen ons in zakken en slaat zijn armen om onze schouders. ‘Ik dacht: ik ga eens even checken hoe het met Peppi en Kokki gaat. Hebben we er zin in, jongens?’
‘Nog een uur, Neussie,’ lispelt J.J.
‘Als het goed is, zijn ze al in het stadion,’ piep ik zachtjes.

 

22.12 uur

 

‘Zitten!’ krijs ik met overslaande stem. ‘Allemaal bekken dicht en zitten!’
Ik gloei van de adrenaline en de alcohol en loop paars aan van opwinding. Mijn hart bonst in mijn kop. ‘We zijn er nog niet! We zijn er nog niet! Ga godverdomme voor die tv vandaan!’
Het lijkt of in J.J.’s kamer een atoombom tot ontploffing is gekomen. Wat er zojuist gebeurde, toen Kluivert met zijn teen de 1-0 binnentikte, was niet te beschrijven. De halve seconde vóór een belangrijke goal van je club is eigenlijk het mooist. Een halve seconde waarin alles op aarde even stilstaat, je hart samentrekt en de ruimte om je heen vacuüm lijkt te trekken omdat alle supporters als één man hun longen vol lucht zuigen, in één krachtige haal, en zich precies tegelijk schrap zetten om met oerkracht op te springen en in juichen uit te barsten.
Het moet de hardste, meest uitzinnige kreet zijn geweest die ik ooit slaakte. Verpulverde chips en bier vlogen door de kamer, stoelen en schemerlampen vielen om en dronken lichamen buitelden over elkaar heen toen de meute zich naar voren stortte. Voor ik het wist lag ik op de vloer, bedolven door Neus, J.J. en daarna nog meer anderen. Pure gekte. Geraas van Neus in mijn oor: ‘We hebben ’m! Daan, we hebben ’m!’
Nee, we hebben ’m nog niet!
‘Aan de kant, godverdomme! Zitten!’ loei ik nog een keer.

 

Rondom ons zoekt iedereen jubelend zijn zitplaats weer op, alsof we bezig zijn aan een stoelendans en zojuist de muziek is gestopt. De lamp aan het plafond slingert woest heen en weer. Bijna niets in de kamer staat nog overeind. Neus heeft zijn armen als een bankschroef om mijn nek geslagen, alsof hij me nooit meer los gaat laten, en drukt me stijf tegen zich aan terwijl we koortsachtig naar de tv kijken, waar Ajax inmiddels weer de bal rondspeelt. Nog een paar minuten. Ik timmer met gebalde vuisten op de bovenbenen van J.J., die naast me zit. Hij springt op, gaat weer zitten en springt meteen weer op. ‘Volhouden nu!’ krijst hij. ‘Reiziger, ram die bal weg! Ram weg!’
Hoe lang nog? Iets meer dan twee minuten, plus blessuretijd. Mijn ogen flitsen razendsnel over het televisiescherm: van het veld naar het klokje linksboven en weer terug. Eén minuut. Hoeveel blessuretijd? Daar is het bord. Vier minuten? Waar haalt hij ze vandaan?

 

Ik kijk wel, maar zie niets meer. Ook de niet-voetballiefhebbers lopen nu rood aan. Ze stuiteren als opgevoerde Duracell-konijntjes door de kamer, wachtend op het laatste fluitsignaal, dat we onmogelijk kunnen horen maar wel kunnen zien als het in Wenen weerklinkt: de armen van de Ajacieden gaan de lucht in, allemaal tegelijk, terwijl Frank Rijkaard aanzet voor een dolle sprint, dwars over het veld, nergens heen.
Het is het laatste wat ik meekrijg. Ik spring op, wil schreeuwen maar er komt geen geluid. Ik laat me door mijn knieën zakken, buig mijn hoofd voorover en rol me op als een egel, op zoek naar een klein plekje voor mezelf. Ik voel tranen van blijdschap over mijn gezicht lopen en realiseer me dat ik nog nooit zo’n verpletterende, allesverzengende vreugde gevoeld heb.

 

Ik kijk pas weer op als ik een zachte, koele hand rond mijn hals voel. Vlak boven me zie ik het gezicht van Ilse. Ze trekt me als een slappe pop naar zich toe en drukt mijn gezicht tegen haar boezem. Ik omhels haar en vind haar de allerliefste vrouw van de hele wereld. Ik kan domweg niet stoppen met janken, maar voel vreemd genoeg geen schaamte. De tranen blijven komen. Alle kracht is uit mijn lichaam weggevloeid. Ilse drukt een kus op mijn voorhoofd.